Echinocereussen (egelcactussen) groeien enkelvoudig of vormen grote groepen van meestal korte zuiltjes. Ze groeien in Mexico en het Zuiden van de USA. De grote bloemen maken het geslacht erg geliefd.
Ze zijn weinig (E. knippelianus, E. gentryi) tot heel sterk bedoornd (zoals E. stramineus). De bedoorning is heel mooi bij de pectinate soorten zoals bij E. pectinatus en E. rigidissimus. Enkele andere mooie soorten zijn E. dasyacanthus, E. reichenbachii, E. scheeri, E. fendleri.
Elke leek kan onmiddellijk een Echinocereusbloem herkennen aan de opvallende groene stempel. Slechts een paar uitzonderlijke soorten hebben die niet.
Bij de meeste cactusgeslachten gaat een bloem maar één dag mee; bij dit geslacht echter blijft een bloem vaak een week open. De overheersende bloemkleur is paars. Er bestaan ook enkele geelbloeiende soorten zoals E. ochoterenae, E. papillosus (geel met rode keel) en E. stoloniferus.
Echinocereus dasyacanthus bloeit in drie kleuren: goudgeel met paarse rand en een groene keel. De soort is zo variabel dat men uit één zaadbes soms wel vijf kleurenvariatie 's kan verkrijgen.
Echinocereus papillosus heeft de prachtige kleuren van de tropische papillosusvlinder: cremegeel met knaloranje in het hart. Dit buitenbeentje ent men best op Harrisia jusbertii om de bloeibaarheid te bevorderen.
De zaadbes van de echinocereussen is heel typisch. Ze is groot en vlezig, en het vruchtvlees is zeer kleverig. Zaden worden in de natuur verspreid, hangend aan de bek of kop van vogels of andere dieren. Een eigenaardigheid, de bes heeft aureolen en bestekeling precies als het plantenlichaam.
Het gaat hier om een op zichzelf staande geslacht, volledig afzonderlijk, maar onderlinge kruisingen kunnen soms heel interessante kleuren opleveren. Waarschijnlijk is slechts het geslacht Pediocactus enigszins aanverwant. Het geslacht Wilcoxia (Britton & Rose) is een groep van potlooddunne cactussen, die tegenwoordig gewoon bij echinocereus gerekend wordt.
Foto's en beschrijvingen: Jean-Marie Callens.